Op 23 februari 1998 doet de Commissie een voorstel tot wijziging van de bestaande richtlijn 90/220/EG die betrekking heeft op de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GMO´s) in het milieu. Dit houdt onder andere in het op de markt brengen van voedsel waarbij gen-technologie is gebruikt en het gebruikmaken van GMO´s voor onderzoek. De Commissie wil de richtlijn wijzigen om zo de besluitvorming over dit onderwerp efficiënter en helderder te maken. Om tevens een hoog beschermingsniveau voor consumenten te garanderen, moet ook de controle op het gebruik van GMO´s worden verbeterd.

Het voorstel wordt via de Raad naar het Economisch en Sociaal Comité en het Europees Parlement gezonden.

Op 9 september 1998 geeft het Economisch en Sociaal Comité een gunstig advies over het Commissievoorstel. Wel wijst het ESC er onder andere op dat er evaluatie dient plaats te vinden van de risico´s van interactie tussen GMO´s en ecosystemen. Ook wil het ESC dat het publiek op de juiste wijze wordt voorgelicht over GMO´s.

De commissie van Milieu, Volksgezondheid en Consumentenbescherming van het Parlement neemt op 21 januari 1999 een rapport aan, waarin amendementen op het Commissievoorstel worden voorgesteld. Deze hebben vooral betrekking op de aansprakelijkheid van degenen die GMO´s in het milieu brengen. Verder wil het Parlement dat een systeem wordt ontwikkeld waardoor producten met GMO´s beter traceerbaar zijn. Ook mogen geen antibiotica resistente genen of giftige stoffen in GMO´s worden gebruikt. Voordat GMO´s worden uitgevoerd naar derde landen moet dat land van de GMO´s op de hoogte worden gesteld en zijn toestemming voor invoer verlenen.

Op 26 maart 1999 wijzigt de Commissie haar voorstel en neemt daarmee 39 amendementen van het Parlement over.

De Raad stelt op 9 december 1999 met unanimiteit formeel het gemeenschappelijk standpunt vast. Over de inhoud van dit standpunt was al eerder, op 25 juni 1999, een politiek akkoord bereikt tussen de milieuministers. Het gemeenschappelijk standpunt wijzigt de richtlijn vooral met betrekking tot de etikettering en het verplicht raadplegen van het publiek voordat de GMO´s kunnen worden verspreid of op de markt worden gebracht. Ook moet het beginsel van voorzorg (voorzichtigheid voor alles) in acht worden genomen. De duur van een vergunning om producten met GMO´s op de markt te kunnen brengen wordt door de Raad vastgesteld op tien jaar.

Het gemeenschappelijk standpunt krijgt op 13 januari 2000 de goedkeuring van de Commissie, aangezien het voortbouwt op het Commissievoorstel.

In tweede lezing op 21 maart 2000 maakt het Parlement 29 amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Het Parlement wil strikte regels voor aansprakelijkheid van degene die GMO´s in het milieu brengt. Ook benadrukt het dat zowel de lidstaat als derde landen toestemming moeten geven voordat producten met GMO´s naar die landen kunnen worden geëxporteerd.

De Commissie geeft op 16 mei 2000 te kennen dat 16 van de 29 amendementen in hun ogen niet acceptabel zijn.

Op 14 december 2000 komt een Bemiddelingscomité met een gemeenschappelijke tekst van de Richtlijn. Het compromis behelst onder meer de volgende zaken. Een tijdpad waarin het gebruik van antibiotica in GMOs wordt uitgefaseerd, wordt opgenomen. De Commissie komt met een voorstel tot wetgeving om schadelijke milieu effecten te voorkomen. Landen die GMOs importeren dienen hiervan op de hoogte te worden gebracht.

Op 14 februari 2001 neemt het Europees Parlement de gemeenschappelijke tekst aan in een derde lezing. De Raad volgt een dag later. De Richtlijn wordt gepubliceerd op 17 maart 2001 in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 106, 17/04/2001, blz. 1 - 39).

Documentatie

Een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn, inclusief verwijzingen naar de bijbehorende documenten is te vinden in de databanken PRELEX en/of Legislative Observatory. Het resultaat van een zoekactie in PRELEX ziet er zo uit, terwijl een overzicht in Legislative Observatory er zo uit ziet.