Verdrag van Parijs

Het Verdrag van Parijs, gesloten op 18 april 1951 door België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland heet officieel het Verdrag tot oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Op 27 juli 1951 wordt het EGKS-verdrag van kracht.

De na-oorlogse problematiek, met name de moeizame relatie tussen Frankrijk en Duitsland, ligt ten grondslag aan het verdrag. De idee is om de leiding en controle over de markt voor kolen en staal in handen van een onafhankelijke autoriteit te geven, die boven de nationale structuren staat. De meer specifieke doelstelling is de Europese eenheid te vergroten door samen te werken op economisch, sociaal, cultureel en juridisch vlak.

Het verdrag voorziet in de opheffing van de handelsbelemmeringen op de kolen- en staalmarkt van de lidstaten en in afschaffing van elke discriminatie op het gebied van prijzen, leveringsvoorwaarden en vervoerskosten door de producenten. Verder kenmerkt het verdrag zich door een gemeenschappelijk optreden op terreinen als investeringen, productie, lonen, verkeer van werknemers en handelsrelaties met niet-lidstaten. De EGKS wordt gefinancierd door heffingen op de productie. Daarmee kunnen leningen worden gegeven voor onder andere onderzoeksprogramma´s, herstructurering en herscholing. Ook kunnen nieuwe impulsen worden geïnitieerd in gebieden waar de oude industrie kwijnend is.

Het beheer van de kolen- en staalproductie in de aangesloten landen komt in handen van een orgaan bestaande uit 9 leden: de Hoge Autoriteit. Verder bestaat de EGKS uit de volgende instellingen: een vergadering van 78 gedelegeerden uit de nationale parlementen, een Hof van Justitie met zeven rechters en een Raad. De eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit is Jean Monnet.

Het Verdrag van Parijs werd gesloten voor een periode van vijftig jaar en is op 23 juli 2002 verstreken. De bevoegdheden van de EGKS zijn overgedragen aan de overblijvende Gemeenschappen.

Verdragen van Rome

Verdrag van Rome

De Verdragen van Rome, ondertekend door België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland op 25 maart 1957, heten officieel het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA of Euratom). De verdragen treden in werking op 1 januari 1958.

Het EEG-Verdrag voorziet in een douane-unie en een gemeenschappelijke markt waarin een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal heerst. Daarnaast is besloten om een gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen voor de belangrijke sectoren van landbouw en vervoer.

Sedert 1958 heeft Europa dus drie gemeenschappen: de EGKS, de EEG en Euratom. Het Europees Parlement en het Hof van Justitie zijn gemeenschappelijke instellingen voor de drie Gemeenschappen. Sinds het Fusieverdrag van 1967 hebben zij de Commissie en de Raad eveneens gemeenschappelijke instellingen. In Brussel wordt in mei 1958 de oprichtingsvergadering van het Economisch en Sociaal Comité gehouden

Europese akte

De Europese Akte wordt in februari 1986 ondertekend en treedt in juli 1987 in werking. De Europese Akte is een herziening van de Verdragen van Rome.

De besluitvormingsprocedure binnen de EEG wordt hierdoor veranderd. De materies waarin de lidstaten in de Raad het vetorecht kunnen gebruiken, wordt beperkt. In plaats daarvan besluit de Raad steeds meer met een gekwalificeerde meerderheid. De Akte kan verder worden gezien als het begin van een echte economische en monetaire unie tussen de lidstaten. Daarnaast worden onder andere het technologie- en milieubeleid aan het verdrag toegevoegd.

Verdrag van Maastricht

Het Verdrag van Maastricht, getekend op 7 februari 1992 door de twaalf lidstaten, heet officieel het Verdrag betreffende de Europese Unie. Het verdrag is op 1 november 1993 ingegaan.

In het verdrag zijn aan de reeds bestaande Europese verdragen bepalingen toegevoegd op het vlak van economisch en monetair beleid, buitenlands en veiligheidsbeleid, en onderdelen van het Justitieel beleid en Binnenlandse Zaken. De samenwerking die op een aantal van deze terreinen bestond, krijgt een nieuw juridisch kader in het Unieverdrag. Het verdrag kan gezien worden als het resultaat van de bestaande supranationale samenwerkingsvormen gecombineerd met intergouvernementele samenwerkingsvormen. In feite is het verdrag een compromis na onderhandelingen tussen aanhangers van een federaal Europa en de lidstaten die niet verder willen gaan dan een Europa der Vaderlanden.

Het karakter van een compromis blijkt duidelijk uit de structuur van het Verdrag: de zogenaamde tempelstructuur met drie pijlers.

De EMU kenmerkt zich door een gemeenschappelijke financiële markt zonder binnengrenzen, het convergentie-principe waardoor de lidstaten hun economisch en monetair beleid steeds meer op elkaar moeten afstemmen, de oprichting van het Europees Monetair Instituut (EMI) dat die afstemming controleert en begeleidt, de vorming van een Monetaire Unie met één Europese munt.

Het sociaal beleid wordt voor een deel ondergebracht in een Sociaal Protocol dat bij het Unieverdrag is gevoegd. In het protocol spreken de lidstaten af dat 11 onder hen, Groot-Brittannië uitgezonderd, het sociaal beleid verder vorm te zullen geven, gebruikmakend van de instellingen en procedures van de EG.

Vermeldenswaard is verder dat met het verdrag de positie van het Parlement wordt versterkt door invoering van de medebeslissingsprocedure. Deze ingewikkelde vorm van besluitvorming moet het zogenaamde democratisch tekort verminderen. Tevens wordt het Comité van de Regio´s in het verdrag opgericht, dat raadgevende bevoegdheid krijgt in regionale zaken. En tenslotte wordt het subsidiariteitsbeginsel ingevoerd. Subsidiariteit betekent dat de Europese Unie bevoegd is op te treden en regels te stellen "indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt". Vanzelfsprekend ligt dit beginsel politiek zeer gevoelig.

De ratificatie van het verdrag is moeizaam verlopen. De Denen wijzen in een eerste referendum het verdrag af. Pas in een tweede referendum zijn de Denen akkoord gegaan, nadat Denemarken zich het recht had voorbehouden niet volledig mee te doen aan het gemeenschappelijk defensiebeleid en de monetaire unie.

Verdrag van Amsterdam

Het Verdrag van Amsterdam, ondertekend op 2 oktober 1997, heet voluit het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot Oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten. Het verdrag van Amsterdam is op 1 mei 1999 in werking getreden.

Het parlement krijgt in het verdrag op meer terreinen de rol van medewetgever. Coördinatie van de werkgelegenheid wordt toebedeeld aan de instellingen van de Unie. Grondrechten worden expliciet onderdeel van het gemeenschapsrecht. De samenwerking op het gebied van vrij verkeer van personen, asiel en immigratie worden overgeheveld van de derde pijler naar het communautaire deel van het EG-verdrag. De Schengen-samenwerking is opgenomen in het verdrag. Het Sociaal Protocol wordt, nadat de Britten hun uitzonderingspositie op dit punt hebben opgegeven, in het verdrag opgenomen.

Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("derde pijler") is geheel omgevormd door het Verdrag van Amsterdam en de vorming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. De vroegere titel "Justitie en binnenlandse zaken" betreft voortaan alleen nog de "politiële en justitiële samenwerking in strafzaken" en heeft tot doel de voorkoming en bestrijding van:

Verder is in het Verdrag van Amsterdam het principe van de nauwere samenwerking geïntroduceerd. Omdat niet alle lidstaten dezelfde snelheid van integratie wensen, hebben bepaalde landen belangstelling op bepaalde gebieden verder te kunnen gaan dan andere. De idee om een soort voorhoede binnen de Unie of "harde kern" tot stand te brengen kan een stimulerend effect hebben. In elk geval kan daardoor worden voorkomen dat de opbouw van Europa vordert tegen een tempo dat door de traagste of de minst enthousiaste partner wordt vastgesteld. Doch tegelijkertijd schept deze idee grote politieke en juridische problemen: hoe gaan besluiten worden genomen? Hoe gaan de instellingen functioneren wanneer het gaat om initiatieven waarbij slechts enkele lidstaten betrokken zijn? Het Verdrag geeft hierop een antwoord en maakt nauwere samenwerking mogelijk binnen de drie pijlers van de Unie waaraan evenwel vrij strikte voorwaarden worden toegevoegd (verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie bevorderen, de beginselen van de verdragen en het éne institutionele kader van de Unie eerbiedigen, van deze mogelijkheid alleen in laatste instantie gebruik maken, met ten minste een meerderheid van de lidstaten, geen afbreuk doen aan het acquis communautaire, voor de andere lidstaten openstaan, enz.).

Tenslotte is er een nieuwe bepaling opgenomen met betrekking tot sancties die van toepassing zijn in gevallen van ernstige en aanhoudende schending van de grondrechten door een lidstaat.

Verdrag van Nice

De Intergouvernementele Conferentie (IGC) van 14 februari 2000 heeft geleid tot de ondertekening van het Verdrag van Nice door de staatshoofden van de lidstaten op 26 februari 2001. Het verdrag van Nice is op 1 februari 2003 in werking getreden. Institutionele wijzigingen zorgen ervoor dat de uitbreiding van de unie met landen uit Midden- en Oost-Europa mogelijk wordt.

Het verdrag beperkt het aantal parlementsleden tot een maximum van 732. Tevens is de verdeling van zetels gewijzigd waarbij reeds rekening is gehouden met de kandidaat-lidstaten. Verder zal er in een aantal materies in het vervolg met gekwalificeerde meerderheid in de Raad worden gestemd, waar nu één lidstaat het recht van veto heeft. Het verdrag voorziet ook in een wijziging van de weging van stemmen in de Raad vanaf 1 januari 2005. De Commissie krijgt vanaf 2005 per lidstaat één lid. Er komt bovendien een plafond wanneer de Unie 27 lidstaten telt. De bevoegheden van de voorzitter van de Commissie worden uitgebreid. Het Hof van Justitie zal uit één rechter per lidstaat blijven bestaan. Echter, het Hof zal in een grote kamer van dertien rechters in plaats van in voltalligheid bijeen kunnen komen. Het aantal leden van zowel het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio´s zal beperkt worden tot 350.

Het principe van nauwere samenwerking tussen een bepaald aantal lidstaten, geïntroduceerd met het Verdrag van Amsterdam, is meer werkbaar gemaakt. Een minimum van acht lidstaten is nodig om een dergelijke samenwerking op te starten. Het zal niet langer mogelijk zijn voor een lidstaat deze vorm van samenwerking met een veto tegen te houden.

Voorts is de mogelijkheid geschapen om nauwere samenwerking tot stand te brengen op het gebied van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid (GBVB), met uitzondering van defensie. Het Verdrag garandeert dat deze nauwere samenwerking plaatsvindt in het kader van de Unie, dat de rol van de instellingen wordt gerespecteerd en dat de lidstaten die niet onmiddellijk aan een nauwere samenwerking deelnemen, te allen tijde partij bij deze samenwerking kunnen worden.

Op het vlak van democratische waarden, zorgt het verdrag ervoor dat de Raad een lidstaat die inbreuk maakt op de fundamentele rechten en vrijheden aangepakt kan worden. In het Verdrag van Nice is -mede naar aanleiding van de affaire Haider in Oostenrijk- bepaald dat de Raad met een meerderheid van viervijfde van de leden, na instemming van het Europees Parlement en na de betrokken lidstaat te hebben gehoord, vaststelt dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door een lidstaat van de grondrechten en de fundamentele vrijheden waarop de Unie is gegrondvest. (Vóór het Verdrag van Nice moest er daadwerkelijk sprake zijn van een schending. Nu is het gevaar voor een schending reeds genoeg om actie te ondernemen.) De Raad kan deze lidstaat passende aanbevelingen doen. Het initiatief voor een dergelijk besluit kan worden genomen door eenderde van de lidstaten, door de Commissie of door het Europees Parlement.

Het Handvest van de Grondrechten van de Unie (dat op 7 december 2000 door de Europese Raad van Nice is afgekondigd) omvat het geheel van burgerrechten en economische, politieke en sociale rechten van de Europese burger, die in zes categorieën zijn ingedeeld: waardigheid, vrijheden, gelijkheid, solidariteit, burgerschap en rechtspleging. Deze rechten zijn met name gegrondvest op de fundamentele rechten en vrijheden die zijn toegekend door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en op de grondwettelijke tradities van de landen van de Europese Unie.

Europese Grondwet

Aan het Verdrag van Nice is een Verklaring betreffende de Toekomst van de Unie gehecht, die voorziet in een breed debat over die toekomst. Dit is de voorloper geweest van de Europese Conventie. De belangrijkste thema´s in het debat zijn:

Voor het onderzoek naar deze vragen wordt Europese Conventie ingesteld. Van februari 2002 tot juli 2003 komt de conventie onder voorzitterschap van Valery Giscard d'Estaing bijeen. Op 18 juli 2003 is een Ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa klaar. Dit ontwerp dient als basis voor de onderhandelingen tijdens de Intergouvernementele Conferentie waaraan de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en de toetredende landen deelnemen.

De Intergouvernementele Conferentie gaat op op 4 oktober 2003 van start. De onderhandelingen lopen tijdens de Europese Raad van 12 en 13 december 2003 op een mislukking uit. Tijdens de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 worden de besprekingen hervat. Na drie voorbereidende vergaderingen door de ministers van buitenlandse zaken wordt de tekst van de Grondwet uiteindelijk unaniem goedgekeurd tijdens de Europese Raad te Brussel op 17 en 18 juni 2004. De tekst dient nu in alle landen te worden geratificeerd overeenkomstig uiteenlopende procedures (goedkeuring door het parlement en/of referendum). Dertien van de 25 EU-landen ratificeerden de Europese Grondwet. Het goedkeuringsproces stagneert echter door het Franse en Nederlandse 'nee' tijdens de referenda. Er ontstaat een impassse. De bestaande EU-verdragen blijven vooralsnog van kracht. Op de Europese top van juni 2007 wordt besloten dat er geen grondwet komt voor Europa, maar een verdrag zoals we nu ook hebben. Het Hervormingsverdrag moet nog tot in detail worden uitgewerkt, in een zogeheten Intergouvernementele Conferentie (IGC). Het verdrag moet oktober 2007 klaar zijn. Dan moeten de lidstaten elk apart besluiten of ze het goedkeuren. In Nederland is het de vraag of er een tweede referendum wordt gehouden. Uitgebreide en actuele informatie over Europese Grondwet zijn te vinden via de websites Grondwet Europa, Europa NU of Een Grondwet voor Europa.