Besluitvorming
Eerste pijler
0 Over DEsite
1 Algemeen
2 Pijlerstructuur
3 Organen
4 Besluitvorming
  • Eerste pijler
  • Tweede pijler
  • Derde pijler
  • Begroting
  • 5 Lobbygroeperingen
    6 Casuïstiek
    7 Informatie en publicaties

    Procedure

    De drie belangrijkste besluitvormingsprocedures in het kader van de eerste pijler zijn: de raadplegingsprocedure, de samenwerkingsprocedure en de medebeslissingsprocedure. Deze zijn neergelegd in de artikelen 250-252 EG.

    Raadplegingsprocedure

    Bij de raadplegingsprocedure ligt het recht van initiatief bij de Commissie. Het Commissievoorstel wordt gezonden naar de Raad. Vervolgens wint de Raad het advies van het Europees Parlement in, waarna het met gekwalificeerde meerderheid of unanimiteit een besluit kan nemen. De Raad is hierbij niet gebonden aan het parlementaire advies. Wil de Raad een besluit nemen dat afwijkt van het Commissievoorstel, dan kan dat alleen met unanimiteit.

    De Commissie kan, zo lang de Raad nog geen besluit heeft genomen, het oorspronkelijke voorstel intrekken of wijzigen. Trekt de Commissie het voorstel in, dan kan de Raad geen besluit nemen. Wijzigt de Commissie het voorstel, dan kan de Raad alleen met unanimiteit een hiervan afwijkend besluit nemen.

    Schematische weergave en documenten

    Schematische Weergave

    Samenwerkingsprocedure

    De samenwerkingsprocedure (art. 252 EG) werd ingevoerd bij de Europese Akte en wordt enkel nog in de EMU gebruikt. De procedure vangt aan met een voorstel tot wetgeving van de Europese Commissie. Na inwinnen van advies van het Europees Parlement stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid een gemeenschappelijk standpunt vast (eerste lezing). Dit gemeenschappelijk standpunt geeft aan hoe de Raad zou willen besluiten.

    Het gemeenschappelijke standpunt wordt aan het Parlement gezonden voor de tweede lezing. Neemt het Parlement het gemeenschappelijk standpunt aan of spreekt het zich niet uit, dan zet de Raad het gemeenschappelijk standpunt om in een besluit.

    Het Parlement kan echter ook het gemeenschappelijk standpunt verwerpen of amenderen met absolute meerderheid van stemmen. Indien het gemeenschappelijk standpunt wordt verworpen, kan de Raad alleen met unanimiteit een besluit vaststellen.

    Stelt het Parlement amendementen voor, dan kan de Commissie deze eventueel overnemen en een gewijzigd voorstel overleggen aan de Raad. De Raad besluit vervolgens met gekwalificeerde meerderheid als het een besluit neemt volgens het (herziene) Commissievoorstel. Een van het voorstel afwijkend besluit nemen kan alleen met unanimiteit.

    Schematische weergave en documenten

    Schematische weergave

    Medebeslissingsprocedure

    De medebeslissingsprocedure (ook codecisie genoemd)werd ingevoerd bij het Verdrag van Maastricht en is sinds het Verdrag van Amsterdam de belangrijkste methode van besluitvorming (art 251 EG). Bij deze methode van besluitvorming is het Parlement samen met de Raad wetgever.

    Net als alle andere besluitvormingsprocedures, vangt ook de medebeslissingsprocedure aan met een voorstel van de Commissie. Het Parlement brengt vervolgens advies uit over het voorstel, waarin het eventueel amendementen voorstelt. Maakt het Parlement geen amendementen of neemt de Raad ze over, dan kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid een besluit nemen.

    In het geval dat de Raad de amendementen niet overneemt, stelt het een gemeenschappelijk standpunt vast dat, nadat de Commissie hierover een mening heeft gegeven, naar het Parlement wordt gezonden.

    Spreekt het Parlement zich niet uit, of neemt het met absolute meerderheid het gemeenschappelijk standpunt aan, dan is het besluit genomen. Het Parlement kan het gemeenschappelijk standpunt ook amenderen of verwerpen. In het laatste geval is het besluit niet genomen.

    In geval van amendementen door het Parlement spreekt de Commissie zich eerst hierover uit. Bij een negatief advies van de Commissie kan de Raad alleen met unanimiteit de amendementen overnemen en is het besluit genomen. Bij een positief advies volstaat een gekwalificeerde meerderheid.

    De Raad kan ook besluiten niet akkoord te gaan. Dan wordt een Bemiddelingscomité samengesteld bestaande uit leden van de Raad en een gelijk aantal Parlementsleden. Komt het comité niet tot een gemeenschappelijke tekst, dan is er geen besluit genomen. Komen ze wel tot een gemeenschappelijke tekst, dan is een gekwalificeerde meerderheid van de Raad en een gewone meerderheid van het Parlement vereist waarin beide de gemeenschappelijke tekst bevestigen, voordat het besluit is genomen.

    Schematische weergave en documenten

    Schematische weergave

    Uitvoering

    Als de Raad en het Parlement eenmaal een wetgevingsbesluit hebben genomen, moet dit nog worden uitgevoerd door (meestal) de lidstaten of (soms) de Europese instellingen. De Raad kan het in uitzonderlijke gevallen zelf doen, maar meestal wordt het uitvoeren van besluiten overgelaten aan de Commissie. In art. 202 EG, derde streepje is bepaald dat de Raad de voorwaarden vaststelt waaronder de Commissie de besluiten kan uitvoeren.

    Deze voorwaarden zijn neergelegd in het zogenoemde comitologiebesluit (PbEG 1999 L 184/23). Comitologie is de naam voor het geheel van procedures waarbij comités zijn betrokken die de Commissie helpen bij het uitvoeren van besluiten. De comités zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Op deze manier kunnen lidstaten enige invloed uitoefenen op de door de Raad gedelegeerde uitvoerende bevoegdheden. Er is een veelheid aan comités die zich elk met verschillende zaken bezighouden. Zo is er een comité dat zich bezighoudt met de technische eisen aan tachograafschijven, een comité voor natuurbehoud en een comité voor schoon drinkwater. Er zijn in totaal meer dan tweehonderd comités, zoals blijkt uit de Lijst van de comités (PbEG 2000 C 225/2). Documenten die in het kader van comitologie aan het Europees Parlement zijn gezonden worden sinds januari 2003 opgenomen in het Comitologieregister. Een uitgebreide beschrijving van de stand van zaken met betrekking tot comitologie is te vinden op de site van het Britse Hogerhuis.

    Indien de uitvoeringsbevoegdheid van een wetgevingsbesluit aan de Commissie is verleend, leggen de Raad en het Europees Parlement - in overeenstemming met het comitologiebesluit - de hoofdlijnen van haar uitvoeringsbevoegdheden vast. Het comitologiebesluit noemt drie uitvoeringsprocedures: de Raadplegingsprocedure, de Beheersprocedure en de Regelgevingsprocedure. Het Comitologiebesluit geeft een indicatie voor welk beleidsdomein welke uitvoeringsprocedure gebruikt moet worden, zodat dit niet langer het onderwerp van langdurig onderhandelen is.

    De Raadplegingsprocedure is de eenvoudigste vorm van een uitvoeringsprocedure. Hierbij hoeft de Commissie haar voorstel van uitvoeringsmaatregelen alleen voor te leggen aan een comité. Ongeacht de strekking van het standpunt van het comité, kan de Commissie de uitvoeringsmaatregelen naar eigen goeddunken vaststellen. Bij de Beheersprocedure worden de ontwerp-uitvoeringsmaatregelen voorgelegd aan een comité dat daarover bij gekwalificeerde meerderheid stemt. Daarna neemt de Commissie een besluit. Bij een negatief standpunt van het comité, kan de Commissie echter alleen voorwaardelijk maatregelen vaststellen die onmiddellijk van toepassing zijn. Het genomen besluit wordt aan de Raad voorgelegd, en deze kan binnen een termijn van drie maanden een ander besluit nemen.

    Bij een negatief standpunt van het comité in de Reglementeringsprocedure, kan de Commissie helemaal geen maatregelen vaststellen. De Raad besluit dan aan de hand van het door de Commissie ingediende ontwerp-besluit. Pas als de Raad binnen drie maanden geen besluit neemt, kan de Commissie zelf haar besluit vaststellen.

    Instrumenten

    In art. 249 EG wordt omschreven wat voor soorten besluiten in de eerste pijler genomen kunnen worden. Allereerst verordeningen. Deze zijn van algemene strekking wat wil zeggen dat zij in principe op een onbepaald aantal gevallen en personen betrekking hebben. Een verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Een verordening kan ook in geschillen tussen burgers onderling worden ingeroepen (horizontale werking).

    Een richtlijn verplicht de lidstaten binnen een bindende termijn een bepaald resultaat te bereiken, waarbij de lidstaten vrij zijn zelf vorm en middelen mogen kiezen. Een richtlijn bindt de lidstaten tot het maken van nationale wetgeving en heeft daarom geen horizontale directe werking. Wel kan, onder voorwaarden, de richtlijn door een particulier tegen de lidstaat worden ingeroepen (verticale werking). Dit is het geval als de uitvoeringstermijn is verstreken, de bepaling in de richtlijn niet, niet tijdig of niet correct in nationaal recht is omgezet en de bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is of rechten voor particulieren vastlegt.

    Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor diegene tot wie zijn uitdrukkelijk is gericht. In tegenstelling tot een verordening heeft een beschikking geen algemene strekking, maar beoogt zij een algemene regel in een concreet geval toe te passen.

    Daarnaast kunnen aanbevelingen of adviezen worden uitgebracht. Deze betreffen het beleid en zijn niet verbindend.

    Een restcategorie bestaat uit de zogenoemde ´besluiten sui generis´. Deze besluiten betreffen onder meer de interne organisatie, zoals de reglementen van orde van de diverse instellingen. Ook resoluties vallen in deze categorie. Het rechtsgevolg van deze besluiten ligt niet vast en zal voor elk besluit afzonderlijk moeten worden vastgesteld.