Besluitvorming
Tweede pijler
0 Over DEsite
1 Algemeen
2 Pijlerstructuur
3 Organen
4 Besluitvorming
  • Eerste pijler
  • Tweede pijler
  • Derde pijler
  • Begroting
  • 5 Lobbygroeperingen
    6 Casuïstiek
    7 Informatie en publicaties

    Procedure

    In de tweede pijler deelt de Commissie het recht van initiatief met de lidstaten (art 22 EU). De Raad neemt gemeenschappelijke strategieën inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) aan met unanimiteit. Besluiten op basis van een gemeenschappelijke strategie en besluiten ter uitvoering van een gemeenschappelijk optreden of standpunt worden genomen met gekwalificeerde meerderheid (art. 23 EU). De stemmen worden hiervoor gewogen volgens de verdeling van art. 205 lid 2 EG (zie voor de weging van stemmen: Raad onder 'Interne besluitvorming'). Het Parlement heeft een kleine rol in de tweede pijler. De voorzitter van de Raad is enkel gehouden het Parlement te raadplegen over de voornaamste aspecten van het GBVB en hij moet erop toezien dat de opvattingen van het Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen (21 EU).

    Een onthouding staat niet aan het aannemen van een besluit in de weg. In geval van stemming met unanimiteit bestaat de mogelijkheid van ´constructieve onthouding´. Dit houdt in dat een lid van de Raad zich onthoudt van stemming en deze onthouding toelicht door middel van een formele verklaring. In dit geval is de lidstaat niet verplicht het besluit toe te passen, maar het mag echter ook geen maatregelen nemen die het besluit doorkruisen. Als er meerdere lidstaten van de mogelijkheid van constructieve onthouding gebruik maken en zij een derde van de stemmen in de Raad (gewogen volgens art. 205 EG) vertegenwoordigen, dan is het besluit niet aangenomen. Legt een lidstaat geen formele verklaring af (gewone onthouding), dan is het wel aan het besluit gebonden.

    Verzet een lid van de Raad zich wegens belangrijke redenen van nationaal beleid tegen de aanneming van een besluit met gekwalificeerde meerderheid, dan wordt niet tot stemming overgegaan. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat het onderwerp wordt voorgelegd aan de Europese Raad, die er met eenparigheid van stemmen over beslist. De besluitvorming kan dus in een impasse raken als een lid van de Raad zich tegen een besluit met gekwalificeerde meerderheid verzet en er ook geen gekwalificeerde meerderheid wordt verworven om het onderwerp voor te leggen aan de Europese Raad.

    Uitvoering

    Ook in de tweede pijler zijn de lidstaten de belangrijkste uitvoerders van Europees recht. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van GBVB-besluiten berust weliswaar bij het voorzitterschap van de Raad (artikel 13, lid 3 en artikel 18, lid 2, EU). Het voorzitterschap wordt daartoe bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad, die de functie van hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uitoefent (artikel 18, lid 3, EU). De Commissie, daarentegen, krijgt een veel bescheidener rol toebedeeld (artikel 14, lid 4 en artikel 18, lid 4, EU). Opvallend is dat wanneer de Raad een uitvoeringsmaatregel in het kader van de tweede pijler neemt, een gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Raad volstaat (artikel 23, lid 2, EU). Ten slotte wijzen we er nog op dat wat de uitvoering van besluiten met gevolgen op defensiegebied betreft, de Europese Unie gebruik maakt van de West-Europese Unie (WEU), een West-Europese samenwerkingsorganisatie die is opgericht in 1948 en die zich toelegt op defensie en veiligheid (artikel 17, lid 3, EU).

    Hoewel het GBVB in 1991 met het Verdrag betreffende de Europese Unie is geïnstitutionaliseerd, heeft de Unie tot 1998 niet echt een begin gemaakt met het werk aan de defensiecomponenten. Wel hebben de lidstaten van de West-Europese Unie in de Petersbergverklaring van 19 juni 1992 zich bereid verklaard militaire eenheden afkomstig uit alle onderdelen van hun conventionele strijdkrachten ter beschikking te stellen van de WEU, voor militaire operaties onder verantwoordelijkheid van de WEU. Naast het zorgdragen voor collectieve verdediging kan de WEU verantwoordelijkheid krijgen voor militaire operaties voor humanitaire taken, vredeshandhaving en crisisbeheersing (vredesafdwinging). De Petersbergverklaring stelt expliciet, dat de WEU bereid is vredesoperaties van organisaties als de OVSE te ondersteunen. Met de voorgenomen integratie van de WEU in de pijlerstructuur van de EU werden ook de Petersbergtaken een aspect van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB). De Petersbergtaken zijn via het Verdrag van Amsterdam expliciet opgenomen in artikel 17 van het EU-verdrag.

    In juni 1999 kwamen de leiders van de EU tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad in Keulen overeen dat "de Unie in staat moet zijn met steun van geloofwaardige strijdkrachten zelfstandig op te treden, en zij de middelen moet hebben om te besluiten die strijdkrachten in te zetten en bereid moet zijn zulks te doen als reactie op internationale crisissen, onverminderd NAVO-acties".

    Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van december 1999 in Helsinki werd het zogenoemde hoofddoel van Helsinki vastgesteld en werden onder meer de volgende doelstellingen bepaald:

    • De lidstaten moeten op basis van vrijwillige samenwerking bij door de EU geleide operaties uiterlijk in 2003 in staat zijn binnen zestig dagen strijdkrachten met een sterkte van 50.000 tot 60.000 manschappen in te zetten en gedurende ten minste één jaar in het veld te houden, die in staat zijn het gehele scala van de in artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) genoemde taken te verrichten.
    • Binnen de Raad zullen nieuwe politieke en militaire organen en structuren worden ingesteld om de Unie in staat te stellen te zorgen voor de nodige politieke richtsnoeren en strategische leiding ten behoeve van dergelijke operaties, met inachtneming van het ene institutionele kader.

    De lidstaten hebben op 20 november 2000 deelgenomen aan een conferentie over de toezegging van vermogens. De toezeggingen van de lidstaten zijn opgenomen in een catalogus van de strijdkrachten van Helsinki (HFC). Uit een analyse van deze catalogus blijkt dat de Unie tegen 2003 het gehele scala van de in artikel 17 van het VEU genoemde taken zal kunnen verrichten, maar dat sommige vermogens kwantitatief en kwalitatief moeten worden verbeterd.

    De Europese Raad van Nice van december 2000 heeft de oprichting van de volgende, nieuwe permanente politieke en militaire organen goedgekeurd:

    • het Politiek en Veiligheidscomité (PVC)
    • het Militair Comité van de Europese Unie (EUMC)
    • de Militaire Staf van de Europese Unie (EUMS)

    Na een conferentie ter verbetering van de vermogens in november 2001 heeft de Europese Raad in december 2001 in Laken verklaard dat "dankzij de verdere uitwerking van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB), de versterking van de civiele en militaire vermogens, en de instelling binnen de Unie van de passende structuren, de Unie voortaan bij machte is bepaalde crisisbeheersingsoperaties uit te voeren". Naargelang de middelen en vermogens van de Unie groter worden, zal zij geleidelijk aan meer veeleisende operaties op zich kunnen nemen.

    Instrumenten

    In de tweede pijler stelt de Raad gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke strategieën, gemeenschappelijke standpunten en overeenkomsten vast. Gemeenschappelijke optredens hebben betrekking op specifieke situaties waarin een operationeel optreden van de Unie noodzakelijk wordt geacht en zijn bindend voor de lidstaten (14 EU).

    De gemeenschappelijke strategieën hebben betrekking op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen gemeen hebben (13 EU). In een gemeenschappelijke strategie worden de doelstellingen, duur en de in te zetten middelen beschreven.

    In gemeenschappelijke standpunten (15 EU) wordt de aanpak van de Unie bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationaal beleid met de gemeenschappelijke standpunten overeenstemt.

    De overeenkomsten worden ter uitvoering van het beleid gesloten met lidstaten of internationale organisaties. De Raad stelt de overeenkomsten met unanimiteit vast. Een lidstaat die verklaart dat hij de bepalingen van zijn grondwettelijke procedure in acht moet nemen, is niet gebonden door de overeenkomst.

    Documenten en informatie over het GBVB zijn de via:

  • Activiteiten van de EU : Buitenlands en Veiligheidsbeleid
  • als onderdeel op de websites van de Raad : Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de Commissie : CFSP.