Casuïstiek
Chocoladerichtlijn
0 Over DEsite
1 Algemeen
2 Pijlerstructuur
3 Organen
4 Besluitvorming
5 Lobbygroeperingen
6 Casuïstiek
  • Theorie
  • Chocoladerichtlijn
  • Tabaksreclamerichtlijn
  • GMO-Richtlijn
  • 7 Informatie en publicaties

    Deze casus gaat over het besluitvormingsproces voor de totstandkoming van een richtlijn over cacao- en chocoladeproducten. De richtlijn is bedoeld om nationale wetgeving over deze producten op elkaar af te stemmen om zo de werking van de interne markt te bevorderen en vervangt oude richtlijnen over dit onderwerp. De rechtsgrondslag voor harmonisatiewetgeving is art. 95 EG. In dat artikel wordt de medebeslissingsprocedure van art. 251 EG aangewezen als te volgen procedure voor het aannemen van een besluit.

    De procedure begint met een op 17 april 1996 door de Commissie ingediend voorstel, dat onder andere inhoudt dat lidstaten mogen toestaan dat chocolade geproduceerd op hun grondgebied uit maximaal 5 % ander plantaardig vet dan cacaoboter bestaat. In zeven EU lidstaten (Denemarken, Finland, Ierland, Oostenrijk, Portugal, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) mag dit al.

    Op de verpakking moet dan wel bij de ingrediëntenlijst worden aangegeven dat andere vetten zijn gebruikt. Chocoladeproducten die aan de criteria voldoen, mogen vrij circuleren in de Unie onder enkele voorgeschreven namen, waaronder ´chocolade´. Producenten die alleen cacaoboter gebruiken mogen dit ook expliciet op de verpakking melden. Verder wordt een programma ontwikkeld dat zal onderzoeken hoe gecontroleerd kan worden dat producenten aan de criteria voldoen.

    Hierna wordt, zoals voorgeschreven in art. 95 EG, het Economisch en Sociaal Comité geraadpleegd. Het ESC geeft op 31 oktober 1996 een positief advies over het Commissievoorstel. Wel maakt het comité enkele kanttekeningen. Zo vindt het de implementatietermijn van 36 maanden te kort en wijst het er op dat de door de Commissie voorgestelde productnamen niet altijd door alle mensen uit een bepaald taalgebied worden gebruikt.

    Dan wordt het voorstel naar het Europees Parlement gezonden en binnen het Parlement behandeld door de commissie van Milieu, Volksgezondheid en Consumentenbeleid. De rapporteur van deze commissie stelt een rapport op dat na discussie en stemming door de commissie wordt aangenomen op 8 oktober 1997. Vervolgens wordt het doorgezonden naar de plenaire vergadering van het Parlement.

    Op 23 oktober 1997 neemt de plenaire vergadering van het Parlement het rapport van de rapporteur over, waardoor het voorstel van de Europese Commissie wordt geamendeerd.

    Het Parlement is het er mee eens dat chocoladeproducten met andere vetten dan cacaoboter in plaats van tussen zeven landen vrij moeten kunnen circuleren tussen alle lidstaten, maar wil wachten met invoering tot er een methode is ontwikkeld om naleving van de richtlijn te controleren. In de ingrediëntenlijst moeten van het Parlement de hoeveelheden van de andere vetten worden aangeduid, met boven de ingrediëntenlijst, op de bovenkant van de verpakking, een vermelding dat het product andere vetten dan cacaoboter bevat.

    De andere vetten in chocolade mogen van het Parlement alleen tropische vetten (zonder enzymatische bewerking) zijn.

    Het Verenigd Koninkrijk en Ierland willen op hun grondgebied de benaming ´milk chocolate´ in plaats van ´milk chocolate with high milk content´ blijven gebruiken, maar het Parlement verwerpt die mogelijkheid. Verder wordt definitie van een Italiaans chocoladeproduct (gianduia) aangepast.

    Het Parlement stelt voor dat de Europese Commissie voor 1 januari 2002 onderzoekt wat de gevolgen van de richtlijn zijn voor producenten in derdewereldlanden.

    De Commissie komt vervolgens op 4 maart 1998 met een gewijzigd voorstel. In het nieuwe voorstel neemt de Commissie onder andere de door het Parlement gewijzigde definitie van gianduia over. Ook wijzigt de Commissie het voorstel in die zin, dat er apart van de ingrediëntenlijst op de voorkant van de verpakking een vermelding moet komen dat het product andere vetten dan cacaoboter bevat. De precieze plaats van deze vermelding wil de Commissie echter vrij laten. Verder hoeven de hoeveelheden andere vetten niet in de ingrediëntenlijst te worden aangegeven.

    Ierland en het Verenigd Koninkrijk mogen de aanduiding ´milk chocolate´ blijven gebruiken. De wens van het Parlement dat andere vetten alleen tropische vetten mogen zijn die niet zijn verkregen door enzymatische processen werd ook niet overgenomen.

    De Raad (interne markt) stelt op 18 november 1999 met gekwalificeerde meerderheid een gemeenschappelijk standpunt vast, waarin het akkoord gaat met 5% ander vet dan cacaoboter in chocoladeproducten. De Raad gaat nog verder dan het Parlement voor wat betreft de toegestane andere soorten vet en stelt een lijst van zes vetten op die mogen worden gebruikt. Een zevende soort, kokosvet, mag alleen worden gebruikt in consumptie-ijs en soortgelijke bevroren producten. Enzymbehandelingen mogen niet worden toegepast. Op de verpakking moet een aparte vermelding komen dat andere vetten dan cacaoboter zijn gebruikt. Deze vermelding moet samen met de merknaam bij de ingrediëntenlijst komen. Ierland en Engeland mogen de term ´milk chocolate´ blijven gebruiken.

    België en Nederland stemden tegen, en Luxemburg onthield zich van stemming. België verklaarde vooral tegen het besluit te zijn omdat dit de kwaliteit van chocolade geen goed doet. Het leek de Belgen onbegrijpelijk dat van een uitzonderingsregel voor zeven landen, een algemene regel werd gemaakt. Ook was het feit dat twee landen een uitzonderingspositie mochten innemen voor wat betreft de benaming iets waar België niet mee akkoord wilde gaan. Bovendien dacht België dat de afwezigheid van een goede methode van controle consumenten zou kunnen misleiden en vond het de verpakkingsvoorschriften niet toereikend.

    De Commissie geeft op 18 oktober 1999 een positief advies over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, aangezien het standpunt in de kern overeenkomt met de wensen van het Parlement.

    In de aanloop van de plenaire sessie van het Parlement van maart 2000, demonstreren Franse chocolademakers in januari tegen het door de Raad genomen besluit. Zij zijn het er niet mee eens dat ook producten met 5% ander vet onder de naam chocolade mogen worden verkocht en stellen voor deze producten onder fantasienamen als végécao te verkopen. De demonstranten zoeken steun van het Parlement voor hun opvattingen.

    In een persconferentie op 24 januari 2000 voorspelt de rapporteur een harde tweede lezing door het Parlement op de plenaire sessie in maart. Hij meent dat het standpunt van de Raad over de vermelding op de verpakking niet duidelijk is, in tegenstelling tot het voorstel van het Parlement twee jaar geleden. Bovendien zou de invloed van de maatregel op derdewereldlanden moeten worden onderzocht voordat de maatregel wordt ingevoerd.

    Op 23 februari 2000 gaat de commissie van Milieu, Volksgezondheid en Consumentenbescherming van het Parlement akkoord met het Raadsbesluit, zij het met twee amendementen. Allereerst moet het verboden worden gebruik te maken van technieken tot genetische modificatie bij de productie van chocoladeproducten. Daarnaast moet de Commissie onderzoeken hoe de belangen van de producenten in derdewereldlanden het beste kunnen worden beschermd. Dit kan onder andere door het opzetten van zogenoemde ´fair trade´ projecten.

    Hiermee gaat de commissie in tegen de wil van de rapporteur die de amendementen van het Parlement in eerste lezing opnieuw wilde overnemen. Hij is tegen het gemeenschappelijk standpunt van de Raad omdat hij denkt dat de maatregel slecht is voor de cacaoboterproducenten in derdewereldlanden en vindt dat de voorschriften voor de vermelding op de verpakking de consument niet goed informeren. Ook wil hij dat de invoering van de maatregel wordt opgeschort totdat een goede controlemethode bestaat.

    In de tweede lezing door de plenaire vergadering op 15 maart 2000 volgt het Parlement de mening van de commissie en gaat dus niet terug naar de amendementen gemaakt in eerste lezing. Het door de commissie voorgestelde amendement tot een verbod op het gebruik van genetische modificatie wordt niet overgenomen. Wel wordt het amendement aangenomen dat een onderzoek van de Commissie naar de belangen van producenten in derdewereldlanden verlangt. Gekeken moet worden hoe de Gemeenschap, bijvoorbeeld door middel van ´fair trade´, kan bijdragen aan steun voor deze producenten.

    De Commissie geeft op 15 mei 2000 een positief advies over het door het Parlement gemaakte amendement.

    Op 25 mei 2000 volgt de formele aanneming van het besluit door de Raad, waarbij het akkoord gaat met het door het Parlement gemaakte amendement. Het besluit wordt zonder debat aangenomen.

    Na ondertekening door zowel de voorzitter van de Raad en van het Parlement als door de secretarissen-generaal van beide instellingen op 23 juni 2000, volgt bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (Pb 2000 L 197/19). Lidstaten moeten binnen de implementatietermijn van 36 maanden na publicatie hun wetgeving hebben aangepast aan de richtlijn.

    Documentatie

    Een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn, inclusief verwijzingen naar de bijbehorende documenten is te vinden in de databanken PRELEX en/of Legislative Observatory. Het resultaat van een zoekactie in PRELEX ziet er zo uit.