Algemeen
Geschiedenis
0 Over DEsite
1 Algemeen
  • Geschiedenis
  • Lidstaten
  • Verdragen
  • 2 Pijlerstructuur
    3 Organen
    4 Besluitvorming
    5 Lobbygroeperingen
    6 Casuïstiek
    7 Informatie en publicaties

    De Europese Unie is een internationale organisatie. De basis van de Unie is economische samenwerking tussen een aantal Europese landen. Die samenwerking is in de loop der tijd uitgegroeid tot een complexe structuur, waarin momenteel 27 lidstaten deelnemen. Hier volgt een korte geschiedenis van het ontstaan van de Europese Unie. Een chronologisch overzicht van de belangrijkste stappen in de ontwikkeling van de EU en haar instellingen is te vinden via de geschiedenis van de Europese Unie.

    Jaren vijftig

    Vlak na de Tweede Wereldoorlog is een verbetering in de relatie tussen Frankrijk en Duitsland noodzakelijk. Het is de Fransman Jean Monnet, die met het idee komt om de leiding en controle over de markten voor kolen en staal in handen van een onafhankelijke autoriteit te geven. Dit voorstel resulteert in het Plan Schuman, genoemd naar de toenmalige Franse minister van buitenlandse zaken. Dit plan, op 9 mei 1950 in Parijs voorgelegd aan vertegenwoordigers van de zes staten, ligt ten grondslag aan het verdrag van Parijs.

    Op 18 april 1951 tekenen Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg het verdrag van Parijs. Hiermee is de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) een feit. De doelstelling is de Europese eenheid te vergroten door samen te werken op economisch vlak.

    1950

    Het beheer van de kolen- en staalproductie in de aangesloten landen komt in handen van een orgaan bestaande uit 9 leden: de Hoge Autoriteit. Verder bestaat de EGKS uit de volgende instellingen: een vergadering van 78 gedelegeerden uit de nationale parlementen en een Hof van Justitie met zeven rechters en een Raad. De eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit is Jean Monnet.

    Het Verdrag van Parijs werd gesloten voor een periode van vijftig jaar en is op 23 juli 2002 verstreken. De bevoegdheden van de EGKS zijn overgedragen aan de overblijvende Gemeenschappen.

    Met de EGKS zijn de fundamenten gelegd voor het proces van Europese integratie. In juni 1955 op de conferentie van Messina, stellen de ministers van buitenlandse zaken van de lidstaten voor de samenwerking op economisch vlak te verbreden en tevens de industriële ontwikkeling van kernenergie op supranationaal vlak te bevorderen. De Belgische minister van buitenlandse zaken, Paul-Henry Spaak, wordt aan het hoofd gesteld van een intergouvernementele commissie, die de taak heeft met een voorstel te komen.

    Op 21 april 1956 komt het Spaak-comité met een rapport, waarin wordt voorgesteld een gemeenschappelijk markt in het leven te roepen. Binnen deze markt zal vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten moeten heersen. Daarnaast wordt een Europese Gemeenschap voor kernenergie voorgesteld, gericht op de ontwikkeling van bronnen voor kernenergie. Deze voorstellen leiden tot de ondertekening van de Verdragen van Rome op 25 maart 1957, waarin twee nieuwe Gemeenschappen in het leven worden geroepen: de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA of Euratom). De verdragen treden in werking op 1 januari 1958.

    Sedert 1958 heeft Europa dus drie gemeenschappen: de EGKS, de EEG en Euratom. Het Europees Parlement en het Hof van Justitie zijn gemeenschappelijke instellingen voor de drie Gemeenschappen. In Brussel wordt in mei van dat jaar de oprichtingsvergadering van het Economisch en Sociaal Comité gehouden.

    Jaren zestig

    De periode na 1958 wordt gekenmerkt door tal van initiatieven tot versterking van samenwerking. Het Europees Sociaal Fonds (ESF) wordt in 1960 opgericht. Dit fonds is het belangrijkste instrument van werkgelegenheidsbeleid. De eerste verordening over het vrije verkeer van werknemers treedt in 1961 in werking. Burgers van lidstaten kunnen vanaf dat moment in principe in een andere lidstaat gaan werken met dezelfde rechten en verplichtingen die in dat land gelden. De Raad hecht in 1962 zijn goedkeuring aan de eerste verordeningen inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dat is uitgewerkt met het oog op de totstandbrenging van één enkele markt voor landbouwproducten. De uitgangspunten van het GLB zijn een gewaarborgde voedselvoorziening, een redelijke levensstandaard voor de agrarische bevolking, stabiele markten en redelijke prijzen voor de consumenten. In 1968 komt er een douane-unie tot stand tussen de EEG-landen. Sindsdien worden in het goederenverkeer geen invoerrechten meer geheven en geldt een gemeenschappelijk buitentarief.

    Een belangrijke stap voorwaarts in de Europese integratie vindt plaats in 1961. In dat jaar vragen Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland onderhandelingen over toetreding tot de Gemeenschappen aan. Een jaar later volgt Noorwegen met een aanvraag van het lidmaatschap. Het zal echter nog tot 1970 duren voordat de onderhandelingen met die landen ook daadwerkelijk volgen. Zo spreekt onder meer de Franse president De Gaulle in 1963 zijn veto uit over het Britse lidmaatschap. Ondertussen is besloten om een economische en monetaire unie (EMU) te implementeren, de Gemeenschappen de eigen middelen te laten beheren en de budgettaire bevoegdheden van het Parlement uit te breiden. De EMU moet de prijzen binnen de EEG stabiliseren en de wisselkoersen fixeren. Belangrijk is verder dat de politieke samenwerking wordt versterkt door de introductie van periodieke bijeenkomsten van de ministers van buitenlandse zaken of de staatshoofden.

    In 1967 op een Topconferentie in Rome ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de ondertekening van het EEG- en het Euratom-Verdrag maken de staatshoofden en regeringsleiders hun voornemen bekend om het Verdrag betreffende de fusie van de instellingen van de drie Gemeenschappen per 1 juli 1967 in werking te doen treden. Vanaf die datum is er nog maar één Commissie en één Raad die echter blijven optreden volgens de voor elk van de Gemeenschappen geldende regels.

    Jaren zeventig

    Vanaf 1972 worden de periodieke bijeenkomsten van de ministers van buitenlandse zaken of de staatshoofden om de zes maanden gehouden en vormen zij een referentiepunt in de samenwerking tussen de lidstaten. In 1973 treden Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken toe tot de Gemeenschappen en hebben de Europese Gemeenschappen dus 9 lidstaten. Bij het Noorse referendum stemt iets meer dan de helft van de Noren tegen toetreding. Het Europees Parlement zal vanaf 1979 rechtstreeks worden gekozen door de burgers van de Europese Gemeenschappen. In 1980 verwerpt het Parlement voor het eerst de begroting.

    In 1975 richt de Raad het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en een Comité voor Regionaal Beleid op. Het fonds is bedoeld voor de economische ontwikkeling van de zwakkere regio´s, in het begin met name in Zuid-Italië, Ierland en de Franse overzeese gebieden. Griekenland vraagt het lidmaatschap aan, een jaar later volgen de eerste onderhandelingen hierover. Het Europese Monetaire Stelsel komt van de grond en voorziet in stabiliteit tussen de verschillende Europese munten. Gedurende de jaren die volgen vragen Portugal en Spanje het lidmaatschap aan. De Europese Rekenkamer begint in 1977 haar werkzaamheden.

    Jaren tachtig

    In juni 1984 komt de Europese Raad in Fontainebleau bijeen en besluit voorstellen uit te werken om de samenwerking op economisch, politiek en sociaal gebied te versterken en te verbeteren. In 1985 publiceert de Europese Commissie, onder leiding van de Fransman Delors, een zogenaamd Witboek Interne Markt. Deze ontwikkelingen leiden in februari 1986 tot ondertekening van de Europese Akte, die op 1 juli 1987 in werking treedt.

    Delors

    De Europese Akte is een herziening van het EEG-Verdrag. De besluitvormingsprocedure binnen de EEG wordt hierdoor veranderd. De onderwerpen waarbij de lidstaten in de Raad het vetorecht kunnen gebruiken, worden beperkt. In plaats daarvan besluit de Raad steeds meer met een gekwalificeerde meerderheid. De Akte kan verder worden gezien als het begin van een echte economische en monetaire unie tussen de lidstaten. Daarnaast worden onder andere het technologie- en milieubeleid aan het verdrag toegevoegd.

    Ondertussen zijn Griekenland in 1981 en Spanje en Portugal in 1986 lid geworden van de Europese Gemeenschappen. De Gemeenschappen van twaalf zijn een feit. In 1985 sluiten de Beneluxlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk het Verdrag van Schengen, met als doel de grenscontroles op personen af te schaffen. In 1987 vraagt Turkije het lidmaatschap aan. Datzelfde jaar wordt het Delors I-pakket goedgekeurd, dat voorziet in hervorming van de financiën en het gemeenschappelijk landbouwbeleid en verdubbeling van de structuurfondsen. Het jaar 1989 geeft grotere veranderingen in Europa. De val van de muur in Berlijn leidt tot de Duitse eenwording. Datzelfde jaar vraagt Oostenrijk het lidmaatschap aan.

    In het streven naar het slechten van ook de niet met douanerechten verbonden belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen, diensten en personen en de verwezenlijking van de interne Europese markt, blijkt de gemeenschappelijke munteenheid een echt vereiste. In juni 1989 presenteert Jacques Delors, voorzitter van de Commissie, daarom ook op de Europese Raad van Madrid een rapport over de stappen die naar een economische en monetaire unie moesen leiden. Op basis hiervan worden door de Raad de algemene beginselen vastgesteld: invoering van één munt, een in diverse fasen verlopend proces, waarvan de eerste fase zou ingaan op 1 juli 1990, een parallellisme tussen de monetaire en economische aspecten. Tijdens deze eerste fase verbinden de lidstaten zich ertoe om "convergentieprogramma´s" in te dienen die zijn bedoeld om convergentie te brengen in hetgeen door hen op economisch gebied wordt verwezenlijkt en dit te verbeteren, teneinde de vaststelling van vaste pariteiten tussen hun munteenheden mogelijk te maken.

    Jaren negentig

    In 1990 vinden er een intergouvernementele conferenties plaats in Rome over de politieke unie (EPU) en over de monetaire unie (EMU). Deze conferentie vormt de aanzet tot het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU), beter bekend als het Verdrag van Maastricht. Dit verdrag wordt op 7 februari 1992 ondertekend door de 12 lidstaten van de Europese Gemeenschap. Het verdrag kan gezien worden als het resultaat van de bestaande supranationale samenwerkingsvormen gecombineerd met intergouvernementele samenwerkingsvormen. In feite is het verdrag een compromis van onderhandelingen tussen aanhangers van een federaal Europa en de lidstaten die niet verder willen gaan dan een Europa der Vaderlanden.

    Het karakter van een compromis blijkt duidelijk uit de structuur van het Verdrag: de zogenaamde tempelstructuur met drie pijlers.

    • De eerste pijler bestaat uit de bestaande verdragen van de Europese Gemeenschappen met wijzigingen en nieuwe elementen. Dit is de supranationale communautaire pijler.
    • De tweede pijler bestaat uit een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid en draagt een intergouvernementeel karakter.
    • De derde pijler bestaat uit afspraken op het terrein van justitie en binnenlandse zaken en is eveneens intergouvernementeel van opzet. (Bij het Verdrag van Amsterdam is dit geworden: ´politiële en justitiële samenwerking in strafzaken´.

    Vermeldenswaard is verder dat met het verdrag de positie van het Parlement wordt versterkt door invoering van de medebeslissingsprocedure. Deze ingewikkelde vorm van besluitvorming moet het zogenaamde democratisch tekort verminderen. Tevens wordt het Comité van de Regio´s in het verdrag opgericht, dat raadgevende bevoegdheid krijgt in regionale zaken en wordt het subsidiariteitsbeginsel ingevoerd. Subsidiariteit betekent dat de Europese Unie bevoegd is op te treden en regels te stellen "indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt". Vanzelfsprekend ligt dit beginsel politiek zeer gevoelig.

    Met het op 7 februari 1992 te Maastricht ondertekende verdrag wordt tenslotte voorgoed de weg ingeslagen naar één enkele munteenheid en wordt het tijdschema vastgelegd om deze in drie etappes te bereiken. Krachtens bij het Verdrag gevoegde protocollen behouden het Verenigd Koninkrijk en Denemarken zich het recht voor om niet over te gaan tot de derde etappe, ook al beantwoorden zij aan de vastgestelde criteria (= opting out-clausule). Denemarken heeft na een referendum verklaard er niet aan te zullen deelnemen en ook in Zweden bestaan bedenkingen.

    Tegelijkertijd met de onderhandelingen over het verdrag, vragen een aantal Europese landen het lidmaatschap van de Unie aan. In 1994 is de Europese Economische Ruimte (EER) tot stand gekomen tussen de landen van de EU en de landen van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA), met uitzondering van Zwitserland. In 1995 treden Oostenrijk, Zweden en Finland toe tot de Europese Unie. De Noren stemmen in een referendum tegen toetreding. Het Europa van de vijftien is een feit.

    Het grote aantal nieuwe lidstaten en de aanvragen voor het lidmaatschap door staten uit het voormalig Oostblok waren niet in het Verdrag van Maastricht voorzien. Daarbij komt dat het Economisch en Monetaire Stelsel een geduchte knauw oploopt. Duitsland houdt de rente kunstmatig hoog met oog op de investeringen in de oostelijk bondsstaten. Het Verenigd Koninkrijk is genoodzaakt uit het EMS te stappen en ook Frankrijk kan met de Franc niet binnen de gestelde bandbreedte blijven. Tegelijkertijd wordt Europa geconfronteerd met een crisis op regionaal niveau in het voormalige Joegoslavië. De Europese Unie blijft het antwoord schuldig.

    Deze ontwikkelingen leiden al snel tot het besef dat Maastricht aan herziening toe is. Op 29 maart 1996 wordt in Turijn de Intergouvernementele Conferentie (IGC) ter herziening van Maastricht geopend. Harde en moeizame politieke onderhandelingen volgen.

    Gedurende het Ierse voorzitterschap in de tweede helft van dat jaar wordt er vooruitgang geboekt. Het Nederlands voorzitterschap in de eerste helft van 1997, brengt verdere overeenstemming in de vorm van het Verdrag van Amsterdam, dat op 2 oktober van dat jaar wordt ondertekend. Het verdrag, dat met kritiek is overladen vanwege het uitblijven van werkelijke besluitvorming op lastige punten als de uitbreiding, de slagkracht van de Unie en het buitenlands en defensie beleid, brengt enkele noviteiten. Het parlement krijgt op meer terreinen de rol van medewetgever. Coördinatie van de werkgelegenheid wordt toebedeeld aan de instellingen van de Unie. Grondrechten worden expliciet onderdeel van het gemeenschapsrecht. De samenwerking op het gebied van vrij verkeer van personen, asiel en immigratie worden overgeheveld van de derde pijler naar het communautaire deel van het EG-verdrag. De Schengen-samenwerking is opgenomen in het verdrag.

    De lidstaten worden het eens over de toekomstige werking van de EMU. Er komt een stabiliteitspact, dat regels en sancties stelt over de overheidstekorten na het ingaan van de derde fase van de EMU. De eerste fase, van 1990-1994, had geleid tot volledige liberalisering van het kapitaalverkeer. De tweede fase, 1994-1999, staat in het teken van de oprichting van de Europese Centrale Bank (ECB) en de voorloper het Europees Monetair Instituut. Doel is het versterken van de coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten, met oog op prijsstabiliteit. In de derde fase, vanaf 1999, ontstaat er een munt, de ECU maakt plaats voor de Euro, en bepaalt de ECB volledig onafhankelijk het monetair beleid.

    Het Verdrag van Amsterdam treedt op 1 mei 1999 in werking. Inmiddels is dan de Commissie Santer gestruikeld wegens wanbeheer. Zijn opvolger Prodi staat voor de taak de Commissie grondig te hervormen en de derde fase van de EMU gestalte te geven.

    In juli 1997 presenteert de Commissie de Agenda 2000 van de Commissie. Hierin beveelt zij aan het lands-beleid en het structuurfondsenbeleid te wijzigen met het oog op de uitbreiding van de EU. Tevens wordt in de Agenda geadviseerd over de te volgen strategie bij de toetreding van kandidaatleden uit Midden- en Oost-Europa.

    Op 13 december 1997 besluit het Europa van de Vijftien zich open te stellen voor zijn oosterburen. Dat is te concluderen uit de beslissingen van de Europese Raad van 12 en 13 december 1997 in Luxemburg. De Europese Raad heeft daar aangegeven dat de uitbreiding van de Unie zich in fasen zal voltrekken volgens het eigen tempo van elke kandidaat-lidstaat, afhankelijk van de mate waarin deze zich heeft voorbereid. Het doel is daarbij de kandidaat-leden in staat te stellen tot de Unie toe te treden en de Unie zelf voor te bereiden op haar uitbreiding in goede omstandigheden. Dit besluit is voorafgegaan door een lang proces van betrekkingen met de landen van Midden- en Oost-Europa (en ook met Cyprus) dat is aangevangen op de dag na de val van de Berlijnse Muur en het daarop volgende uiteenvallen van het Sovjet-rijk.

    In maart 1998 is het proces van start gegaan, dat de toetreding van twaalf landen moet mogelijk maken. Het gaat om: Bulgarije, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, de Tsjechische Republiek. Turkije is erkend als kandidaat-lidstaat maar er worden nog geen onderhandelingen over toetreding geopend.

    2000

    Om een antwoord te geven op de punten die door het Verdrag van Amsterdam onopgelost waren, wordt op 14 februari 2000 de zevende Intergouvernementele Conferentie (IGC) geopend. De ICG houdt zich bezig met onder meer: de omvang en samenstelling van de Europese Commissie, de weging van de stemmen van de lidstaten in de Raad en de eventuele uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid. Voorts kunnen andere onderwerpen worden behandeld, voor zover zij voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Amsterdam.

    De Intergouvernementele Conferentie heeft geleid tot de ondertekening van het Verdrag van Nice door de staatshoofden van de lidstaten op 26 februari 2001. Het Verdrag van Nice is op 1 februari 2003 in werking getreden. Institutionele wijzigingen zorgen ervoor dat de uitbreiding van de Unie mogelijk wordt.

    In de marge van de Europese Raad-bijeenkomst (welke onderdeel uitmaakt van de IGC) te Nice van 7 tot 9 december 2000, kondigen de voorzitters van het Europees Parlement, van de Europese Raad en van de Commissie het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie af. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bevat in één enkele tekst alle burgerlijke, politieke, economische en sociale rechten van de Europese burger en alle personen die op het grondgebied van de Unie verblijven.

    De rechten zijn geordend in zes grote hoofdstukken:

    • Waardigheid van de persoon
    • Vrijheid
    • Gelijkheid
    • Solidariteit
    • Burgerschap
    • Gerechtigheid

    Ze berusten op de fundamentele rechten en vrijheden die erkend worden door de Europese Conventie van de rechten van de mens, de grondwettelijke tradities van de lidstaten van de Europese Unie, het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa en het Handvest van de sociale grondrechten van de werknemers van de Europese Gemeenschap, naast andere internationale overeenkomsten die door de Europese Unie of haar lidstaten ondertekend zijn.

    De juridische status van het Handvest - zijn afdwingbaarheid door opname in het Verdrag betreffende de Europese Unie - is reeds door de Europese Raad van Keulen (1999) besproken. De Europese Raad van Nice besluit om de juridische status van het Handvest te bahandelen in het kader van het debat over de toekomst van de Europese Unie dat in maart 2001 van start gaat.

    2001

    Op 2 januari 2001 wordt Griekenland het 12de lid van de Eurozone. In juni 2001 word het Verdrag van Nice door de Ierse bevolking middels een referendum verworpen (53,87 %). Bij een tweede referendum, volgend op een nationaal debat, wordt in oktober 2002 het verdrag door de Ieren aanvaard (62,89 %).

    Op 21 september wordt een uitzonderlijke bijeenkomst van de Europese Raad gehouden in Brussel om de internationale situatie te analyseren volgend op de terroristische aanslagen van 11 september in New York en Washington en om de nodige impulsen te geven aan acties van de Europese Unie. Van 14 tot 15 december komt de Europese Raad in Laken (België) bijeen waar het probleem van democratie, transparantie en efficiëntie op de agenda staat. Bovendien wordt er besloten tot de bijeenroeping van een Conventie over de toekomst van Europa die tot taak heeft de wezenlijke problemen die de toekomstige ontwikkeling van de Unie met zich meebrengt te bespreken en de verschillende mogelijke oplossingen te onderzoeken. De Europese Raad benoemt Valéry Giscard d´Estaing tot voorzitter van de Conventie en Giuliano Amato en Jean-Luc Dehaene tot vice-voorzitters.

    De Conventie brengt de belangrijkste belanghebbenden bij het debat over de toekomst van de Unie bijeen. Naast de voorzitter en de twee vice-voorzitters is de Conventie samengesteld uit:

    • 15 vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten (1 per lidstaat)
    • 13 vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders van de kandidaat-lidstaten (1 per kandidaat-lidstaat)
    • 30 vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de lidstaten (2 per lidstaat)
    • 26 vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de kandidaat-lidstaten (2 per kandidaat-lidstaat)
    • 16 leden van het Europees Parlement
    • 2 vertegenwoordigers van de Europese Commissie

    Ieder vast lid van de Conventie heeft een plaatsvervanger. Het Economisch en Sociaal Comité (drie vertegenwoordigers), het Comité van de Regio´s (zes vertegenwoordigers), de sociale partners (drie vertegenwoordigers) en de Europese ombudsman zijn als waarnemers uitgenodigd. In de Verklaring van Laken is bepaald dat de kandidaat-lidstaten als volwaardige gesprekspartners aan de besprekingen deelnemen, zonder evenwel een consensus die zich aftekent tussen de lidstaten te kunnen verhinderen. Voorts hebben organisaties van de civiele maatschappij de mogelijkheid hun bijdrage aan het debat te leveren, met name door lid te worden van het zogenaamde Forum. De Europese Conventie is daarom ook vanuit democratisch oogpunt interessant.

    2002-2004

    Op 1 januari 2002 komen Euromuntstukken en -biljetten in omloop in de twaalf deelnemende landen: Oostenrijk, België, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Spanje.

    Van februari 2002 tot juli 2003 komt de Conventie onder voorzitterschap van Valery Giscard d'Estaing bijeen en wordt een Ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa opgesteld. Dit ontwerp dient als basis voor de onderhandelingen tijdens de Intergouvernementele Conferentie waaraan de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en de toetredende landen deelnemen.

    De Intergouvernementele Conferentie gaat op op 4 oktober 2003 van start. De onderhandelingen lopen tijdens de Europese Raad van 12 en 13 december 2003 op een mislukking uit. Tijdens de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 worden de besprekingen hervat. Na drie voorbereidende vergaderingen door de ministers van buitenlandse zaken wordt de tekst van de Grondwet uiteindelijk unaniem goedgekeurd tijdens de Europese Raad te Brussel op 17 en 18 juni 2004. De tekst dient nu in alle landen te worden geratificeerd overeenkomstig uiteenlopende procedures (goedkeuring door het parlement en/of referendum). De grondwet zal niet eerder dan een jaar na ratificering door de laatste lidstaat van kracht kunnen worden. Tot dan blijft het Verdrag van Nice van kracht.

    Op 1 mei 2004 wordt het Toetredingsverdrag van kracht en de grootste uitbreiding van de Europese Unie ooit, is een feit: de unie wordt uitgebreid met tien nieuwe lidstaten. Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakijke en Tsjechië treden tot de Europese Unie toe.