International Spring School on the Digital Library and E-publishing for Science and Technology

International Spring Scool on the Digital Library and E-publishing (for Science and Technology) 3-8 maart 2002 te Cern (Geneve)
Henk van den Hoogen

De Spring school werd georganiseerd door Ticer en kende een opzet waarbij gerenomeerde sprekers inleidingen van 1-1,5 uur hielden waarna gelegenheid tot discussie en interactie mogelijk was. Tijdens de lezingen kon ook ingebroken worden om bepaalde zaken nader te laten uitleggen of hieromtrent kritische vragen stellen. Rondom sommige thema's werden ook kleine workshops gehouden, waarbij de deelnemers in groepjes een/meer aspecten van een thema bediscussieerden en voor de groep presenteerden.

Algemeen oordeel:
Zeer positief vanwege de ingebouwde, min of meer automatische interactiviteit tussen deelnemers onderling en tussen deelnemers en gastsprekers, de relatief kleine groep (48 leergierige participanten) en het goede kennisniveau van de sprekers. De sprekers participeerden vaak ook meerdere dagdelen actief en enthousiast bij andere lezingen maakten deze cursus daardoor nog aantrekkelijker (een lezing geven werd niet als verplicht nummer ervaren). Daarnaast is het zeer aanbevelenswaardig om in de hektiek van alledag er een paar dagen uit te stappen en de verschillende elementen van het werk in een juist perspectief te bekijken/analyseren.

Het is ondoenlijk om alle facetten van de cursus te bespreken. Mijn insteek is om aan de hand van de hoofdthema's een impressie te geven. Voor de achtergrondpapers en nadere indrukken naar aanleiding van de lezingen en discussies zelf kan men bij mij terecht.

Hoofdthema's:
  1. Introductie elektronisch publiceren en de rol van de bibliotheek hierbij
  2. De (commerciële) e-publishing markt
  3. Licensing en consortia
  4. Zelf elektronisch publiceren
  5. Externe factoren: prijsmodellen en toepassingen in bibliotheken
  6. Integratie digitale content
1. Introductie elektronisch publiceren en de rol van de bibliotheek hierbij
Hans Geleijnse geeft een introductie in het elektronisch publiceren. Het hele verhaal van de journal's crisis, de participanten en hun rol in de informatieketen, de reacties van bibliotheken en uitgevers passeert de revue.
Enkele aspecten: in periode '75-'95 zijn de prijzen van commerciele en society (!) journals meer dan ver-achtvoudigd. Mede door toedoen van bibliotheken is de prijsindex voor 2001 teruggebracht tot 7-9%.
De substitutie is nog (steeds) niet in volle omvang gaande; redenen:
  • te weinig back issues elektronisch beschikbaar: hieromtrent meldt Elsevier dat zij inmiddels een traject uitgezet heeft om alle titels tot volume 1 terug te gaan digitaliseren!
  • garanties voor perpetual access worden nog onvoldoende afgegeven: wellicht dat de toezegging van Elsevier voor retrodigitalisering hierin (ook bij anderen) verandering gaat brengen.
  • digitaal archiveren komt niet van de grond: de nationale bibliotheken (en de KB in het bijzonder) zijn hier toch flink mee bezig om de tijdschriften die in elk land gepubliceerd zijn aldaar ook te archiveren.
  • hoge BTW-tarief in Europa voor elektronische documenten: De signalen vanuit Brussel worden steeds duidelijker dat er dit jaar nog een -voor bibliotheken- gunstig besluit genomen zal gaan worden. Lange tijd lag Groot-Brittannie dwars: de insteek is nl. om een algemeen -laag- BTW tarief voor edocs te gaan heffen en in GB zijn boeken tot nu toe ontheven van BTW-opslag. Maar daar erkent men nu kennelijk dat er geen alternatief is.
Er is bij substitutie niet enkel sprake van kostenbesparing:
Kostenbesparing vanwege: opzeggen abonnement hardcopy, ruimtegebruik, incheck- en reclammeringswerkzaamheden, bindkosten, shelving (driemaal: lopend jaar, gebonden open en gebonden gesloten opstelling), fotocopieren en IBL.
Kostenverhoging vanwege: verschaffen van juiste toegang (meerdere toegangswegen), aankoop software (soms), onderhandelingskosten, licentiebeheer, catalogisering op een of andere wijze, gebruiksgegevens verzamelen en andersoortige instructie.

Bij substitutie spelen natuurlijk ook licentie-aspecten: Copyright law, van belang bij papieren abonnementen, raakt ondergeschikt aan contract law, van belang bij e-journals (zie verderop ad 3).
Aspecten die inzake licenties nog lopende (en niet opgelost) zijn:
  • elektronische document levering
  • cross-searching en cross-linking: technisch mogelijk, maar financieel en organisatorisch nog niet uitgewerkt
  • systeem voor ' rights management'
  • perpetual access
  • mogelijkheden voor retro-digitalisering en back issue access
  • nieuwe business models

Tot slot enkele conclusies:
  • e-publishing is momenteel nog niet DE oplossing voor journals' crisis (per slot van rekening is er nog steeds een substantiële prijsstijging en dominatie van commerciële uitgevers);
  • de verschillende functies van publiceren hoeven niet meer standaard volgens de traditionele bedrijfskolom toebedeeld te worden aan de spelers in het veld:
    communicatie: kan via het web
    registratie: kan via UB
    certificatie: hier zouden uitgevers een rol kunnen spelen
    preservatie: wellicht rol voor nationale bibliotheken
  • zowel uitgevers als bibliotheken kunnen een rol spelen in informatieproces, mits zij zich bewust zijn van hun meerwaarde. (denk aan indexering, metadata, zoekfaciliteiten, personalisering etc). Het is van eminent belang dat bibliotheken hun meerwaarde in het informatieproces kritisch evalueren en aanpassen aan de mogelijkheden bij e-publishing.

Teun Nijssen geeft een introductie over IT en e-publishing, waarbij achtereenvolgens de revue passeren: metadata, pre-printserver technology, SGML en XML en formats voor e-journals en e-reports. De lezing focust zich vooral op bijpraten van de deelnemers over deze kernbegrippen.

Rick Luce geeft inzicht in de wijze waarop men bij Los Alamos (National Laboratory of Physics waar de eerste pre-printserver is opgezet door Paul Ginsparg).
Hij breekt een lans voor het zelf, dat is lokaal, ontwikkelen van toepassingen rondom de digitale bibliotheek. Ook hier is echter sprake van 80-20 regel: 80% bibliotheken vullen de digitale bibliotheek in door producten die op de markt worden aangeboden te kopen. Het nadeel is vaak dat er dan een significant gebrek aan integratie van de bronnen is. 20% van de bibliotheken probeert via hybride oplossingen (deels kopen en deels lokaal aan/inpassen) of geheel op eigen ontwikkeling, de digitale bibliotheek vorm te geven. Velen zeggen dat lokaal ontwikkelen zoveel kost, Luce bestrijdt dat; zijn stelling is dat je niets moet outsourcen waarvan je de functionaliteit niet kent. Dit betekent dat je eerst de zaken zelf moet opzetten (om te achterhalen wat het is/betekent). In een latere fase kun je nog altijd besluiten om op de markt te kopen, maar dan weet je in ieder geval hoe het werkt en ben je niet afhankelijk van de leverancier waardoor je bijvoorbeeld geen lokale aanpassingen meer kunt uitvoeren.
De stadia van de digitale bibliotheek:
  1. contentverzamelen: hier dus al die keuze om enkel remote aan te bieden wat je bij leverancier koopt of informatie lokaal te laden (= keuze Los Alamos);
  2. linking: relaties leggen tussen de documenten; door die lokale ontwikkelpoot hou je het initiatief en de mogelijkheden in eigen hand;
  3. integratie: interoperabibliteit van data en applicaties ofwel het lokaal opzetten van een systeem voor alle verschillende datasets en applicaties;
  4. aanbieden van nieuwe services met meerwaarde zoals ' self e-publishing' voor medewerkers.
Door de keuze die Los Alamos begin jaren negentig maakte bij begin digitale bibliotheek is men nu in staat om lokaal alle bronnen/informatie geďntegreerd aan te bieden via een google-achtige interface. Als extra feature heeft men een wekelijkse attenderingsservice voor alle informatie (via SciSearch) kunnen opzetten omdat de data lokaal geladen zijn.

Conclusie:
Denk telkens goed na wat beste keuze is: zelf investeren in productie versus aankopen. E.e.a. staat en valt met uiteindelijke aspiratieniveau dat je als bibliotheek hebt ofwel hoe zie je je eigen meerwaarde in het beschikbaar, doorzoekbaar en vindbaar aanbieden van wetenschappelijke informatie.
Uiteraard zit aan elke keuze een kostenplaatje. Het lokaal laden van data en produceren van services kost in eerste aanleg extra geld. Het is dan van belang om te laten zien dat de kosten zichzelf terugverdienen. Bijv. ejournals: naast kostenaspect is evident dat het tijdsaspect van de wetenschapper om relevante informatie te vinden aanzienlijk verkort wordt.

2. De (commerciële) e-publishing markt
Achereenvolgens zijn de strategieën van Elsevier, Springer (commerciële uitgevers), de American Physical Society (society) en Sparc Initiative (samenwerkingsverband bibliotheken/onderzoeksinstituten) aan bod gekomen.
De commerciële uitgevers, met Elsevier ver voorop, zeggen het beste met ons voor te hebben. Allerlei initiatieven worden ontplooid om meerwaarde te (blijven) leveren. Kijk bijv. naar het CrossRef-initiatief. Hierbij is als kanttekening overigens wel te zeggen dat voor elke titel in CrossRef betaald moet worden. Voor de grote uitgevers niet zo'n probleem, maar de kleine ( vaak goede) uitgevers kunnen hier weer niet of in mindere mate aan meedoen.
Het aangaan van consortiumdeals door de commerciële uitgevers is op zich een goed initiatief, maar we moeten ook weer oppassen voor de nadelen zoals het uit de markt prijzen kleine, waardevolle uitgevers omdat het collectiebudget voor 90% of meer wordt dichtgetimmerd.
De bibliotheken laten zich met die consortiumonderhandelingen wellicht ook teveel leiden door hetgeen de uitgevers aanbieden. Nu we een kritische massa hebben zullen we zelf ook alerter moeten zijn en actiever de markt op moeten met de titels die wij elektronisch willen aanbieden. Het Sparc Initiative in Amerika is ingegeven door de enorme prijsstijgingen in de afgelpen jaren. De samenwerking tussen 200 onderzoeksinstituten en bibliotheken (ongeveer de helft is wetenschappelijk) heeft geleid tot opzetten van alternatieven voor extreem dure tijdschriften. Dit gebeurde soms door overname van de editorial boards van de dure tijdschriften naar een nieuw op te zetten tijdschrift. Het voordeel is dat men meteen een reeds kwaliteitsimpuls aan een nieuw tijdschrift meegeeft. Voorbeeld: Evolutionary Ecology (EE) was een tijdschrift met gedurende 12 jaar een jaarlijkse prijsindex van 19%. De editorial board stapte over naar een, via Sparc uitgegeven nieuw tijdschrift met dezelfde scope, getiteld Evolutionary Ecology Research met een prijsstelling vele malen lager dan EE. Het gevolg na enkele jaren is dat EER haar prijs inmiddels met 40% bijgesteld.
Een kanttekening : probleem voor veel bibliotheken is echter dat ipv een nieuwe, goedkopere titel nu vaak beide titels in abonnement gehouden (moeten) worden omdat beiden van goede kwaliteit zijn. Kortom, het biedt momenteel nog niet de ultieme oplossing.

Een ander initiatief van Sparc betreft het gezamenlijk optrekken van societies en bibliotheken door het bijeenbrengen van journals, zoals BioOne. Hier wordt uniform toegang verschaft tot journals op gebied van biologie, ecologie en milieu, incl interlinking-faciliteiten.

3. Licensing en consortia
Emanuella Giavarra is een van de -weinige- juristen die een juridisch getint verhaal, inclusief aanbevelingen, in gewone mensentaal kan houden. Zeer verhelderend! Het meegeleverde paper van haar hand gaan nader in op de ontwikkelingen van het Europese copyright, met als bijlage de directive 2001/29/EC (voor de kenners onder ons). Haar verhaal spitst zich met name toe op de licentiepraktijken. Emanuella heeft haar sporen inmiddels meer dan verdiend als juriste bij het Britse consortiumverband NESLI. Na een introductie gaat zij nader in op het raamwerk voor licenties.
De productie van wetenschappers is beschermd via copyright; de toegang tot de elektronische versie van die wetenschappelijke productie wordt ' gekocht' via licenties. Deze licenties vallen echter weer onder contractrecht. Het concept van contractuele vrijheid vormt de basis van contractrecht. Dit betekent dat de partijen vrij zijn in hun onderhandelingen in termen van het gebruik van copyright materiaal. Met name de ' eigenaar' van de informatie kan de tegenpartij vrij eenvoudig voor het gerecht dagen indien hij schade of winstverlies ervaart (bijv. winstverlies omdat een bibliotheek derden toegang geeft tot informatie). Dit pleit ervoor om contracten/licenties zeer nauwkeurig op te stellen/na te gaan. Hiervoor geeft Emanuella de nodige handreikingen. Deze staan ook op het Internet; het grote probleem is natuurlijk de mate waarin je de -veelal monopolistische- informatieleverancier ertoe kunt bewegen de voor ons gunstige voorwaarden op te nemen. De vorming van consortiumverbanden is dan natuurlijk een voordeel.

Conclusie:
Het is van eminent belang dat wij voldoende tijd besteden aan doornemen contracten en de gevolgen ervan. Te vaak wordt in de drukte van alledag ervan uitgegaan dat het wel zal kloppen. Van de andere kant is onze macht bij monopolistische informatieleveranciers ook weer niet zo groot. In die gevallen zullen we met de faculteiten in kwestie (voor wie informatie relevant is) expliciet moeten afstemmen wat het ons (en hen) waard is om die informatie tot onze beschikking te hebben. Het mag niet zo zijn dat de UB de zwarte piet krijgt toebedeeld als er problemen komen op basis van contractuele wurgclausules.

Frederick Friend geeft een uiteenzetting over bibliotheekconsortia in Groot-Brittannië, met als voorbeeld NESLI (National Electronic Site Licence Initiative). Een vrij algemeen verhaal over mogelijke structuren van consortia, geillustreerd met een voorbeeld NESLI.

Conclusie:
In de afgelopen jaren zal een constructie als NESLI wel gewerkt hebben: het is een vrij log, bureaucratisch orgaan, waarbij Swets als onderhandelaar richting uitgevers optreedt en de resultaten aan een centraal comité voorlegt. Zij kunnen de resultaten afwijzen, om bijschafing vragen of goedkeuren, waarna de afzonderlijke bibliotheken alsnog kunnen bepalen of ze instappen. Al bij al een lange weg. Na het afsluiten van de grootste contracten, lijkt het meer voor de hand te liggen om sneller en meer specifiek voor bepaalde doelgroepen te werk te kunnen gaan. M.i. is NESLI, in deze vorm althans, voor de toekomst geen goed voorbeeld mbt consortia.

Vanuit Amerika geeft David Kohl een heel aardige lezing over ervaringen in de VS op het gebied van consortia. Hij gaat in op twee varianten: California State University System en OhioLINK. De digitalisering van de bibliotheken in de VS heeft inmiddels flink doorgezet. De academic research libraries in de VS gaven in 1992 $ 14 mln uit aan digitale bronnen en in 2000 is dat opgelopen tot $ 99 mln. De aanschaf van die digitale bronnen kan op twe manieren: Traditioneel door op titelniveau te selecteren, de California State University is daarvan een voorbeeld of via massa aankoop, waavan OhioLINK een voorbeeld is.
Voordeel van het selecteren op titelniveau is natuurlijk dat de core-collectie digitale tijdschriften herkenbaar zal zijn.
Nadeel echter is dat het totale aantal beschikbare tijdschriften niet substantieel toeneemt (men probeert nl vnl de goede papieren titels elektronisch beschikbaar te krijgen). En zoals David Kohl later aantoont is een duidelijke toegevoegde waarde van consortiumdeals dat er veel gedownload wordt uit titels die voorheen niet in abonnement waren. Een tweede nadeel is dat bijna geen beroep gedaan kan worden op de zgn. aggregators als EBSCO omdat slechts een zeer beperkt aantal titels dan fulltext beschikbaar zullen zijn.
Het zal duidelijk zijn dat David Kohl een voorstander is van bulkinkopen zoals ook via OhioLink gedaan is. Er wordt op centraal niveau onderhandeld en elke aangesloten bibliotheek neemt standaard de deals af. De data worden lokaal op een centrale plek in Ohio geladen en beschikbaar gesteld.

Evaluatie van de inspanningen van OhioLINK:
1,1 miljoen downloads per jaar; 40% titels zorgt voor 80% downloads en 50% titels zorgt slechts voor laatste 10% downloads. Dit laatste is een aardig gegeven dat gebruikt kan worden in de nieuwe onderhandelingen voor aanpassing van het prijsmodel met de uitgevers: de helft van het bezit van de uitgevers voegt in feite weinig toe en zou voor een veel lager tarief verkregen moeten kunnen worden. Een duidelijke kanttekening geldt natuurlijk voor de kwalitatief goede tijdschriften die in een klein, specifiek vakgebied actief zijn.
58% van de gedownloade artikelen komt uit tijdschriften die voorheen niet in abonnement waren. Dit lijkt een bewijs voor slecht collectiemanagement in het verleden, maar niets is minder waar: Nadere analyse leert nl. dat gemiddeld 51 downloads per titel voortkwam uit titels die voorheen in hardcopy aanwezig waren, tegen gemiddeld 23 downloads per titel uit tijdschriften die voorheen niet in abonnement waren. M.a.w. de titels in hardcopy zijn nog steeds het meest gewild, maar in totaliteit zijn er aanzienlijk meer titels die niet in abonnement waren, waardoor het totaalbeeld anders uitpakt. Het is dus geen teken van slecht collectiemanagement, maar van ontoereikend (financieel) collectiemanagement.

Conclusie:
De weg naar substitutie van papieren tijdschriften naar e-journals kent twee varianten die beide van belang zijn. Enerzijds zal eerst gezorgd moeten worden voor voldoende kritische massa en dit is het best te bereiken via bulkcontracten. Voordeel hiervan is dat op relatief eenvoudige wijze (zeker in consortiumverband) een belangrijk deel van de elektronische basiscollectie in huis gehaald kan worden. Uit statistieken blijkt dat een substantieel deel van de " extra" titels veel geraadpleegd wordt. Dit leidt op andere fronten weer tot kostenverlaging (IBL).
Hiernaast zal de variant van specifiek op titelniveau de elektronische collectie completeren van belang zijn. Hiermee bezorg je de bibliotheek net die meerwaarde voor de specifieke doelgroepen.

4. Zelf elektronisch publiceren Rick Luce geeft een uiteenzetting over de ontwikkeling van 's werelds eerste e-prints archief in Los Alamos Physics Laboratory. Per dag komen er zo'n 200 préprints bij van over de hele wereld. De aanlevering is instituutsonafhankelijk, dus elke wetenschapper (in dit geval op gebied van Fysica) kan edoc aanleveren. 70% van de préprints wordt vervolgens als een tijdschriftartikel gepubliceerd, veelal wel een magere versie van de préprints; vandaar dat de préprints voor wetenschappers van grote waarde blijven.
Auteurs kunnen aangeven in welke omvang hun papers gearchiveerd/beschikbaar gesteld kunnen worden:
Classified information: enkel archiveren
Deels classified information: archiveren en beschikbaar stellen op campus
Vrije informatie: archivering en vrije beschikbaarstelling

Andere grote e-printsystemen:
CogPrints: cognitieve wetenschappen, psychologie, neurologie, linguistiek
NCSTRL: networked computer science technical reports via single interface
NDLTD: elektronische theses en dissertaties
RePEc: research papers op gebied economische wetenschappen
Clinical Medicine Netprints: BMJ en HighWire
PubMed Central & E-Biomed: life sciences primaire reporten

Herbert van de Sompel gaat in zijn eerste lezing in op het Open Archive Initiative en breekt een lans voor een veranderend denken over de traditionele rolbezetting in de informatieketen. Wat dit laatste betreft houdt hij een inspirerend betoog voor zijn zogenaamde "deconstructed journal" waarbij er sprake is van een ontkoppleing van de opeen volgende stadia in de informatieketen en hun oorspronkelijke uitvoerende partijen.
De meest in het oog springende ontkoppeling is die tussen de eerste twee stadia van registratie van een nieuw document en de certificatie ervan. Beide zijn vnl in handen van de uitgevers. Zo kan elke organisatie de eigen préprints beschikbaarstellen en kan de certificatie, de peer reviewing, op verschillende manieren en door verschillende partijen gedaan worden. Van de Sompel stelt zich voor dat na beschikbaarstellen van préprint bijvoorbeeld verschillende wetenschappers inhoudelijk kunnen reageren in plaats van een reactie van 1 editorial board zoals bij een traditioneel tijdschrift. Hoe dan ook, zijn insteek is dat er richtlijnen moeten komen om de metadata van de verschillende stadia van de informatieketen te ontwikkelen. Hierbij kan dan elke partij uit de 'oude' informatieketen een rol spelen, maar dit hoeft dan niet persé de oude rol te zijn.
De informatieketen volgens dit open archive initiative-principe:
Registration: fulltext aanleveren plus metadata voor awareness (auteur, titel etc)
Certification: t.b.v. peer reviewing specifieke metadata opstellen
Awareness: metadata opstellen om document te kunnen traceren
Rewarding: metadata opstellen om waardering te bepalen, bijv. via gebruiksgegevens, citatie-analyses etc.
Archiving: metadata vaststellen waaraan archivering moet voldoen om document te bewaren

5. Externe factoren: prijsmodellen en toepassingen in bibliotheken
David Stern, director of Science Libraries Yale University, geeft een uiteenzetting over prijsmodellen. Hij houdt zich al lange tijd bezig met statistische analyse, trends en mogelijke oplossingen m.b.t. prijsontwikkelingen van informatiebronnen i.h.a. en journals i.h.b.. Hij onderhoudt hiervoor een website waar al zijn (en andermans) bevindingen gepresenteerd worden: zeker de moeite waard: http://www.library.yale.edu/scilib/jrnlsol.html
Naast een analyse van de reeds bekende prijsstijgingen gaat hij in op de bepalende (markt)factoren voor prijssetting:
Selectiefactoren:
  • facultaire verzoeken, waarbij extra aanvragen (nadat de core collection aanwezig is) bepaald worden door editorial boards (zit een collega in), publicaties (collega's schrijven in journal)
  • verwachte kwaliteit, op basis van ISI-impact factors en de reputatie van de uitgever (gebaseerd op jcr-analysis en verwachtingen op basis van oplage)
Waardebepalende factoren van een titel:
  • kwaliteit wordt met name bepaald door de namen in de editorial board en niet zo zeer door de uitgeversnaam
  • kostenfactor is van belang, maar initiatieven als SPARC tonen aan dat prijs neit zalig makend is.
  • Andere aspecten zoals: linkmogelijkheden (crossref, sfx, metalib); backfiles; customization
Kortom, als je deze factoren op een rij ziet, zijn vele zaken kosten/waarde-bepalend, maar de uitgever is er slechts een van. Stern wil hiermee aantonen dat de macht van de uitgever helemaal niet zo groot hoeft te zijn als die soms laat overkomen. Er zijn reeds diverse voorbeelden van een andere opzet (zoals Sparc) en alternatieve prijsmodellen die aantonen dat het anders kan. Op de genoemde website staan diverse voorbeelden van prijsmodellen, waarbij het veelal gaat om prijsindelingen op basis onderzoeks- of collectieniveau of doelgroepniveau (o.a. carnegie en conspectus price classifications). Een andere heel interessante variant is AMS (american mathematical society) productivity based price model, waarbij betaald wordt op basis van de productie van auteurs uit de eigen instelling in journals van AMS. Achterliggende filosofie: als men veel schrijft zal men ook veel lezen.
Deze prijsmodellen kunnen feitelijk alleen gehanteerd worden bij bepaalde uitgevers en individuele titels. Als het om consortial pricing gaat gelden vaak andere regels. De nadruk ligt dan veelal op de combinatie van laagste prijs en grootst mogelijk aantal titels. Voor de toekomst zal de prijssetting voor consortia veelal migreren naar use-based pricing, aldus Stern (klopt inderdaad als je ziet dat huidige basis (hardcopy pakket) vervaagd door substitutie).

Over CrossRef is Stern niet zo positief als het gaat om een ideale lange termijn oplossing: idee achter CrossRef is dat de uitgever voor elke link moet betalen. Voor de grote uitgevers is dat niet zo'n probleem, maar de kleinere zullen hierdoor het onderspit delven. Hiernaast wijst Stern op feit dat CrossRef naar de uitgever zelf verwijst, bied je informatie via een intermediair als Ebscohost aan, dan werkt CrossRef niet en zul je lokaal weer e.e.a. op een sfx-achtige wijze moeten aanpassen.

7. Integratie digitale content
Herbert van de Sompel gaat in op reference linking, het principe waarbij vanuit een bepaald gevonden referentie doorgelinkt kan worden naar relevante informatie.
Reference linking: vanuit een referentie (metadata) naar fulltext linken.
Extended service links: gaat stap verder dan linken vanuit metadata naar een specifieke fulltext, maar er kan ook gelinkt worden naar een citatiedatabase, naar Ullrich's serials database of naar de ' who is who' database etc.
Inmiddels zijn er diverse reference link services bij diverse uitgevers (Silverlinker, Biomednet). Het grote probleem is echter dat deze link services niet-contextgevoelig zijn. M.a.w. bij die link services bestaat geen koppeling tusen het linken en de user. Een ander probleem bij die niet-context gevoelige linkservice is dat linking pas opgezet kan worden nadat er een business agreement tussen beide partijen (vergelijk Sliverlinker) is opgezet. Door contextgevoeligheid in te bouwen kan een bibliotheek bepaalde keuzes (voor bepaalde gebruikersgroepen bijv.) inbouwen en hoeft niet meer volstaan te worden met directe (harde) links. SFX-linking is een voorbeeld van een open en context-gevoelige link framework.

Hoe werkt het principe van open url-linking?
Uitgangspunt is een bron met een referentie, via een open url worden metadata en identifiers van die referentie getransporteerd naar een service component (zoals SFX). Dit stuk is onder het beheer van de bibliotheek: die bepaalt welke extra services gerelateerd worden aan die referentie (dat is ook het contextgevoelige element: de bibliotheek heeft beheer van linking). Via die service component vindt de koppeling van metadata en identifiers van de gekoppelde bronnen plaats en komt de gebruiker uiteindelijk via linkbestemmingen bij gerelateerde informatie.

Non-open url-linking: vanuit de opac bijvoorbeeld kan rechtstreeks gelinkt worden naar A&I en fulltextdatabase.
Open url-linking: vanuit opac via een open url faciliteit worden de metadata naar de lokale service component (SFX) doorgesluisd. Van hieruit wordt gecheckt of er mbt die metadata relevante service components (uit gerelateerde A&I- en fulltextbestanden) beschikbaar zijn. Zo ja, dan wordt de links aan de gebruiker beschikbaar gesteld.

Enkele literatuurverwijzingen waarin Herbert van de Sompel haarfijn uitlegt wat hij bedoelt met OAI en reference linking:
This report is written by Henk van den Hoogen, librarian at the Maastricht University Library, the Netherlands. He wrote this article for his colleagues at the Maastricht University Library. Ticer B.V. is not responsible for its content. Copyright Henk van den Hoogen.

* Ticer home * spring school *

Tilburg Innovation Centre for Electronic Resources
Ticer, PO Box 4191, 5004 JD Tilburg, The Netherlands,
telephone +31-13-466 83 10, telefax +31-13-466 83 83, e-mail ticer@uvt.nl,
last updated 22 May 2002